DE SPREEUWELSE HEIDE  SPREEUWELSEDIJK 9  |  5091 KS WESTELBEERS  T 013 504 13 92 |  WELKOM@DESPREEUWELSEHEIDE.NL

Reserveren

AANKOMST
VERTREK
PERSONEN

Het verhaal van schaapherder Janus Pasmans

In een zijstraat van de Spreeuwelsedijk, dwars op de Scheepersweg in Westelbeers, staat in de schaduw van de lindebomen een eeuwenoude boerderij, die in haar veelkleurige zijgevel van de oostkant het jaartal 1664 draagt.
In dit huis werd Janus Pasmans geboren als één van de vijf kinderen. Hij groeide echter op in de herberg van de Beerse Bak, kwam bij zijn huwelijk met Pietje Hems weer terug in het ouderlijk huis tot 1952, woonde een jaar of tien in het nieuwe huis ernaast dat hij "De Schaapskooi" doopte en raakte tenslotte in Middelbeers verzeild. Daartussen ligt een leven als schapenboer en herder. Vroeger als jongetje raakte hij bij zijn ouders al vertrouwd met de schapen, maar er ging toch niets boven zijn eigen kudde. Het begon met een kleine aantal schapen; 25 tot 30 stuks. De kudde groeide echter als snel tot over de honderd stuks.

Iedere dag trok hij er met de schapen op uit, zelfs de zondagen werden niet overgeslagen. Op hete zomerdagen ging hij echter voor dag en dauw op pad. Bij de terugkeer vóór de laatste zondagmis om 07.00 uur in de ochtend, had hij er dan een hele ronde opzitten.

Op de heide was hij vaak aan het dollen met zijn hondje of ging hij stokken snijden. Hij kwam om de paar dagen met een andere wandelstok thuis. Als hij weer thuis kwam met een andere stok, dan plaagde zijn vrouw hem ermee; “De schapen van jou schijnen nogal veul slaag te krijgen as gij al die stokken nodig het." Deze plagerige beschuldiging veegde Janus van de tafel met: "Ik sloeg de schapen er echt nooit mee." De verschillende stokken die hij maakte werden gesneden uit mispelhout, een gewas waaraan eetbare mispels groeiden.

De schapen moesten in het voorjaar uiteraard ook geschoren worden. Hiervoor gebruikte Janus zijn twee scharen, zorgvuldig in plastic gewikkeld en dik in het vet gezet. Voordat de schapen geknipt werden, werden ze gewassen in een groot ven tussen Vessem en Westelbeers. De schapen werden, met de kop onder de arm om niet te verdrinken, op de rug in het water zwevend gewassen. Als de schaapjes zich na het wassen in de zon weer droog geschud hadden, was het scheren niet meer veraf. Dit geschiedde aan huis bij de stal. Mei of juni was daarvoor de tijd. Een nogal zwaar werk want je moest er bij op je knieën liggen. De poten van het dier werden kruislings bijeengebonden om het opspringen te beletten. Zo kon één man een schaap aan. Per jaar kwam er gemiddeld twee kilo wol van 1 schaap en het scheren van één schaap nam zowat een uur in beslag.

De scheerderij vormde een hoogtepunt in de kring van het schepersjaar. De herders uit de omtrek kwamen elkaar dan om beurten helpen. Deze schepers dreven hun schapen ook wel eens bij elkaar en gingen dan zitten buurten. Het nieuws van de dag werd doorgenomen, wat zich voornamelijk beperkte tot de koop en verkoop van schapen. Na het scheren kwam het feest bij de schapeboer aan huis. Dit feest bestond uit het eten van rijstepap met suiker en uiteraard werd hier ook een borreltje bij gedronken.

Op een kwade dag stond de catastrofe voor de deur. Onder de kudde werd een besmettelijke ziekte, het rotkreupel geconstateerd. De gezondheidsdienst verbood met de schapen buiten te komen. Dit gebod werd een poosje later gevolgd door de order dat alle schapen afgemaakt moesten worden. De familie Pasmans bleef met de vraag zitten; wat krijgen wij hiervoor terug? Het weinig bemoedigende antwoord daarop was: ‘Niets, helemaal niets.’ Mevrouw Smulders, Nederlands eerste vrouwelijke burgemeester, vond dit echter niet acceptabel. Dankzij haar bemoeienissen werd er gedokterd aan de zieke kudde, de enige die de Beerzen nog rijk was. De beesten herstelden en werden opnieuw voor de verkoop geschikt verklaard.
Janus Pasmans was de dans ontsprongen, maar de schrik zat er behoorlijk in. Om niet voor een tweede keer met al die trammelant te zitten heeft hij het zekere voor het onzekere genomen en zijn kudde verkocht. Dat gebeurde zo ongeveer rond 1960.

Zo verloren de Beerzen hun laatste scheper. Hiermee verdween ook het vertrouwde beeld van een des avonds naar de Schepersweg terugkerende kudde als de dalende zon vanuit het westen zilverend over de witte vachten streek en de schaduwen langer maakte.

TELL-A-FRIEND

Informeer bekenden en zakenrelaties